Ode aan de zorg in drie delen

30 08 2010 | reacties (2) | reageren

In memoriam: Antonie Kamerling 25 augustus 1966 – 6 oktober 2010

Deel 1: Au!
Kort na het vieren van mijn derde verjaardag vraagt mijn zusje, zelf net twee geworden, of ik naast haar kom zitten. Natuurlijk, gezellig! Een half uur later lig ik op de intensive care van het Reinier de Graaf-ziekenhuis in Delft: derdegraadsverbrandingen op mijn rug. Dat kwam zo. Mijn zusje zat op de openstaande deur van een afwasmachine. Op die afwasmachine stond een gasstel waarop water stond te koken. Doordat ik naast haar ging zitten, helde de afwasmachine langzaam maar zeker over en gleed de ketel kokend water soepeltjes richting mijn ruggetje. Aaah zielig! Best wel ja. Mijn ziekenhuisbezoek duurde drie weken. Drie weken zonder ouders, broertje en zusje, en wat ik me goed herinner: iedere dag een prik… Ik keek daar niet naar uit, mag ik wel zeggen. Ter compensatie van geleden leed mocht ik álle briefkaarten (en dat waren er heel veel) die ik kreeg aan de muur van het ziekenhuis hangen. Die kaarten, tezamen met de viewmaster van Afrikaanse beesten en iets met cowboys en paarden die ik van mijn ouders kreeg, sleepten mij door die lijdensweg heen. En natuurlijk de aandacht van het verplegend personeel, zoals dat officieel zo mooi heet. De specialisten hadden hun werk de eerste dag gedaan (transplantatie en andere ingewikkelde dingen). Daarna was ik overgeleverd aan de mensen die het grondwerk in het ziekenhuis verrichten. Dat deden ze zeer grondig.

Deel 2: Bewondering
Eerder dit jaar overleed mijn schoonmoeder. Zij sleet haar laatste maanden in een woonzorgcentrum Noorderkroon in Den Bosch. Ze werd daar vol liefde verzorgd, zoals ook de andere bewoners. Ik vond dat opvallend, omdat sommigen van hen niet verder kwamen dan bijvoorbeeld: “Kijk uit! Nee, hij komt eraan. Ik ga niet mee, nee nee!”. En dat 166 keer per dag. Om dan geduldig te blijven en elke keer opnieuw te doen alsof je niet weet wat iemand gaat zeggen, is bewonderenswaardig. Tenminste, dat vind ik als redelijk tot zeer ongeduldig mens. Ik zou het niet kunnen, denk ik, en na de derde keer diegene toebijten: “Ja, hij komt eraan en dat wil je niet nee. Nog iets zinnigs te melden?”.

Deel 3: Armen, afgerukt
Een jaar of tien eerder, in de periode dat mijn zoontje net begon te kruipen en vrij snel daarna lopen, herinner ik me dat ik vrij nare, specifieke fantasieën kreeg over verdrinkingen en afgerukte armpjes vanwege langszoevende auto’s. Ik leerde mezelf deze kwelling snel af, lette in plaats daarvan extra goed op en programmeerde het nummer van het dichtstbijzijnde ziekenhuis in mijn telefoon. Het idee dat er binnen een kwartier hulptroepen zouden aanrukken om mijn zoon te helpen als er iets ernstig misging, was voor mij een grote geruststelling.

Epiloog
De grondtroepen in de zorg verdienen in mijn ogen te weinig. Ze hebben een verantwoordelijke functie, werken keihard en doen psychisch zwaar werk, altijd onder druk van de (publieke) opinie van Jan en alleman. Ze verdienen soms nét genoeg om hun gezin te onderhouden en af en toe met vakantie te gaan. Dit geldt overigens ook voor politieagenten en docenten. Wat mij betreft, gaat er een klein percentage van de omzetten op de effectenbeurs en in het bankwezen naar deze drie beroepsgroepen. Mensen die geld verdienen met geld verdienen (dus eigenlijk met niets), hebben dan maar ietsje minder te besteden. Ik kan me niet voorstellen dat dit hun leven veel ongelukkiger zou maken. Dus.

reageer op deze blog >>

Helemaal mee eens!

van Ingrid uit op 07-10-2010

Deze video kan niet worden weergegeven. Javascript staat uitgeschakeld, of u heeft nog een oude versie van de Adobe Flash Player. Download hier de laatste Flash Player.