Een mooie, heldere hemel met wel duizend sterren en een knetterend kampvuur als ingrediënten. Met een reisgezelschap van zeven personen zitten we nog steeds in het plaatsje Palumeu, een indianendorp in het binnenland van Suriname. Ik wil weten hoe hier de terminale zorg is geregeld. Nootje, onze reisgids, vertelt me dat graag.
Ik vertelde vorige week dat indianen in grote familiecommunes wonen met alle generaties bij elkaar. Alle gezinsleden hebben een taak en ze zorgen er samen voor dat ze lekker met elkaar kunnen leven.
“Maar wat als iemand ziek wordt?”, vraag ik.
“Dan bepaalt de medicijnman wat er moet gebeuren”, zegt Nootje.
“En als iemand komt te overlijden?”
“Nou dan wordt hij hier begraven. Behalve sjamanen, die niet!”
“Ooh, en waarom niet dan?”
“De indianen vervoeren sjamanen in de terminale fase rivieropwaarts naar een plek, ver weg van het dorp. Vanwege hun bovennatuurlijke krachten mogen sjamanen niet in het dorp overlijden. Dat brengt onheil en dan zou iedereen moeten verhuizen. Ergens ver weg hangen de indianen een hangmat in het bos. Vervolgens laten ze de sjamaan daarin achter. Dagelijks brengt iemand eten en drinken naar hem toe. Tot de dag dat hij er niet meer is.”
“Hoezo, er niet meer is?”, vraagt mijn man Radjin.
“Nou, sjamanen verdwijnen gewoon en hun geest leeft verder in het bos”, zegt Nootje.
Ik snap er niets van. Er moet toch ergens een lichaam zijn? Ik merk dat ik moeite heb dit verhaal een plek te geven op mijn ‘harde schijf’. Zou het echt waar zijn?
Formuleer hieronder kort maar krachtig jouw reactie * (max. 500 karakters):